Onderwijs en werkveld zoeken gezamenlijk naar oplossing tekort stageplaatsen

27-05-2014

Een inventarisatie bij de mbo- en hbo-opleidingen in de regio heeft duidelijk gemaakt dat er komend studiejaar zo’n 1.750 stageplaatsen te weinig zijn om alle studenten plek te kunnen bieden. Onderwijs en werkveld in Oost-Nederland zijn samen druk op zoek naar een oplossing voor dit probleem. Er lopen al meerdere initiatieven, waarbij het niet alleen gaat om het vinden van extra reguliere stageplaatsen, maar ook om het creëren van nieuwe, andere vormen van stage.


Momenteel hebben zorg- en welzijnsopleidingen in Oost-Nederland gezamenlijk zo’n 22.000 studenten in opleiding. Het tekort van 1.750 stageplaatsen bedraagt daarmee zo’n 8%.  Het gaat om zo’n 1.000 mbo-stages en 750 hbo-stages. Middels regionale werkgroepen wordt gezocht naar alternatieve stagevormen die voldoen aan alle opleidingseisen. Door een gevarieerd aanbod te creëren en op een creatieve manier alternatieve stagevormen te ontwikkelen, kan er in de toekomst sneller ingespeeld worden op veranderingen. Veranderingen door politieke besluiten, al dan niet landelijk of regionaal.


Inmiddels zijn diverse nieuwe, alternatieve stagevormen ontwikkeld. Het gaat daarbij veelal om kleinschalige, op maat gemaakte stages. Een voorbeeld daarvan is het maatjesproject, waarbij studenten 1-op-1 worden gekoppeld aan een cliënt waarmee ze activiteiten uitvoeren, zoals ondersteunen bij de maaltijd, een dagactiviteit, het naar bed brengen etc. Een ander voorbeeld is de begeleiding van lichamelijk gehandicapten tijdens hun verblijf in een vakantiehotel. Een derde voorbeeld is een dorpskernproject, waarbij in een dorpshuis activiteiten worden georganiseerd voor ouderen. In de praktijk kan het lastig zijn dergelijke stages te formaliseren, omdat stages alleen binnen een ‘erkend leerbedrijf’ mogen worden uitgevoerd. Gezocht wordt naar een oplossing hiervoor. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door de eindverantwoordelijkheid hiervoor bij de school neer te leggen en het opleidingsinstituut hiervoor ook als zodanig te erkennen. 


Niet alleen het werkveld verandert, ook binnen het onderwijsveld is het nodige in beweging. Mbo-scholen zijn druk doende met de vertaling en implementatie van het OCW beleidsprogramma ‘Focus op Vakmanschap’, waardoor onderwijsinstellingen beter kunnen inspelen op de vertaling van actuele ontwikkelingen in het werkveld naar het onderwijsprogramma.


Meerdere mbo- en hbo-scholen gaan ertoe over een numerus-fixus in te stellen voor het aantal studenten dat zij voor de diverse opleidingen toelaten. Daarbij laten zij zich veelal leiden door het aantal stageplaatsen waarover zij kunnen beschikken. Dit moet gezien worden als een korte-termijn oplossing.


De afgelopen jaren is de instroom in de zorg- en welzijnsopleidingen in Oost-Nederland behoorlijk toegenomen. Gemiddeld groeide de werkgelegenheid in de sector jaarlijks met zo’n 3%, dus  gediplomeerden konden bijna altijd direct aan de slag. Dat betekende wel dat scholen en werkveld enorm hebben moeten investeren in de opleiding van nieuwe beroepskrachten en extra stageplaatsen hebben moeten creëren. Met het nodige passen en meten is dat redelijk gelukt.
Momenteel is echter sprake van een grote omslag. Terwijl de welzijnssector al eerder te maken heeft gekregen met krimp, is nu de zorgsector aan de beurt. Aangekondigde bezuinigingen werpen hun schaduw reeds vooruit. Er is echter niet alleen sprake van bezuinigingen, maar ook van een ingrijpende stelselwijziging. Taken en verantwoordelijkheden worden anders verdeeld. Medewerkers moeten in de toekomst anders gaan werken. Stimulering van zelfredzaamheid, ondersteuning bij eigen regie en wijkgericht werken vragen het nodige aan scholing en training van de zittende medewerkers. In veel organisaties verschuift de aandacht dus enigszins van de opleiding van nieuwe medewerkers naar de scholing van zittend personeel. In veel organisaties verschuift de aandacht dus enigszins van de opleiding van nieuwe medewerkers naar de scholing van zittend personeel. Om deze transitie vorm te geven heeft de vereniging samen met diverse ketenpartners voor haar werkgebied een beroep gedaan op de Asscher middelen middels het indienen van vier sectorplannen voor al haar subregio’s, waarvan er op dit moment al twee zijn toegekend.